Skip to main content

Niet één ding

  • Gepubliceerd op:
    30 december 2022
Niet één ding

Een paar maanden geleden overleed mijn moeder. De laatste tijd gebeurt het me regelmatig dat ik met iemand praat die mijn moeder niet of nauwelijks heeft gekend. Vaak krijg ik dan de vraag om te vertellen wie mijn moeder was. Ja, hoe was mijn moeder? Natuurlijk kan ik daar wel wat over zeggen, maar tegelijkertijd lukt het me ook niet zo goed. Kun je iemand wel terugbrengen tot een paar kenmerken? Is het wel mogelijk om iemand te beschrijven in een paar zinnen? Hoe doe je recht aan alle ervaringen die je met iemand hebt meegemaakt? Hoe kun je iemand die je zo lang kent, in een paar woorden beschrijven? Als ik mijn broers en zussen spreek over mijn moeder valt me op dat zij sommige dingen heel anders hebben beleefd dan ik. De band die ieder van ons had met mijn moeder verschilt ook heel erg. En daarbij komt nog eens dat de relatie met mijn moeder zich in de loop van de tijd ook nog heeft ontwikkeld. Wie mijn moeder voor me was toen ik vijf was, was anders dan toen ik zesentwintig was en zelf kinderen kreeg en werd nog weer anders toen zij ziek werd en steeds afhankelijker van de hulp van anderen. Dus hoe lukt het dan om iemand te beschrijven?

Toevallig las ik een paar weken na het overlijden van mijn moeder een bijzonder boek dat me erg geholpen heeft: Al die dingen nu jij er niet meer bent van Emily Spurr (Mozaiek 2021). Het boek vertelt over het meisje Rae. Een meisje van tien jaar die alleen met haar moeder en hond Splinter in een huis woont. Op een dag komt ze erachter dat haar moeder zichzelf heeft opgehangen in de schuur. Maar ze besluit naar de buitenwereld net te doen alsof haar moeder een tijdje voor haar werk weg is. De schuur wordt afgesloten en Rae probeert zo goed en zo kwaad als dat kan haar leven voort te zetten: naar school, de hond uitlaten, boodschappen doen. Het laat iets zien van de veerkracht van jonge kinderen. Een nogal excentrieke buurvrouw Lettie ontfermt zich over Rae. Ronduit bijzonder is het om te zien hoe Rae en haar buurvrouw elkaar verder helpen. Nadat haar hond tijdens een nachtelijke wandeling wordt aangereden en maar net in leven blijft, wordt de vraag van de omgeving waar Rae’s moeder eigenlijk uithangt steeds prangender. Tot Rae niet anders kan dan zeggen dat haar moeder in het schuurtje hangt. Terwijl het lichaam van haar moeder het huis uitgedragen wordt, volgt een gesprek tussen Rae en Lucy, een vrouw uit de buurt die bij de kinderbescherming werkt.

‘Zij is het niet, daarbinnen, Rae.’ 

Zulke dingen zeggen mensen.

‘Jawel.’

‘Nou ja, het is haar lichaam. Maar de mama die je kende, die is daar niet. Die zit in je hart, in je herinneringen. Zoals ze was.’

Ik weet dat ze het goed bedoelt. Maar ze weet het niet. Ik weet het beter dan zij. Ik weet dat je niet één ding bent. Jou kennen is niet één ding, het was nooit één ding. Het zijn duizenden dingen. En nu ben ik degene die ze bij elkaar houdt.

Ik kijk de wagen na.

En ik zeg het, omdat ik het nooit eerder heb kunnen zeggen. Ik zeg het omdat ik wou dat ik het gezegd had, bijna net zo erg als dat ik wou dat ik het niet had hoeven zeggen.

‘Dag, mam.’

Het boek gaat dan verder met hoe Rae in contact komt met haar oma en uiteindelijk bij haar kan komen wonen. Het is in meerdere opzichten een prachtig – en heel droevig – verhaal. De zinnen zijn schitterend en de manier waarop het verhaal verteld wordt vanuit Rae is verrassend. Mij hielpen bovenstaande zinnen van Emily Spurr erg om te snappen waarom het zo ingewikkeld kan zijn om iemand die je zeer nabij is/was te beschrijven. Het is niet één ding, maar het zijn duizenden dingen. En op de een of andere manier draag ik dat als nabestaande met me mee en zie ik het terug in mijn broers en zussen. Mensen zijn complexe wezens. Je kunt ze niet terugbrengen tot een paar persoonlijkheidskenmerken of een paar typerende gebeurtenissen. En hoe meer je met ze omgaat, hoe meer ze je onder de huid gaan zitten. 

En geldt datzelfde niet voor God? Of beter, nog meer voor God? Hoe langer ik met God leef, hoe ingewikkelder ik het vind om te zeggen wie hij is. Als we het over God hebben, hebben we niet zoveel aan oneliners. Als voor mensen al geldt dat het nooit één ding is, dan zeker niet voor God. Wat ik met God beleef vandaag is alweer anders dan toen ik twintig was. Mijn ervaringen met God zijn lang niet altijd de ervaringen van een ander. Waar het verhaal van God mijn leven raakt is verschillend met waar het een ander raakt. Ik merk dat vaak in pastorale gesprekken met mensen. Ieder beleeft God weer op een andere manier. En dan heb ik het nog niet eens gehad over alle verschillende perspectieven in de Bijbel zelf. Hoe de ene profeet dit benadrukt en de ander dat. Hoe de ene evangelist hiervoor aandacht vraagt en de ander daarvoor. Zeker, God maakt zich bekend. Maar hij is te groot om in ons hoofd te passen. We blijven schepsels die proberen die duizenden dingen van God te bevatten. Een paar weken geleden ontmoette ik een collega die al een eindje in de tachtig is. Hij vertelde me dat hij de laatste tijd weer veel bezig was met de vraag: Wie is God? Ik vind dat prachtig. Dat je na een levenlang studeren op de Bijbel, preken en onderwijs geven over God en het evangelie toch weer terugkomt bij die ene vraag: Wie is God? Het is een vraag die steeds opnieuw gesteld moet worden en in alle voorlopigheid beantwoord. En dan nog moeten we erkennen dat we blijven stamelen. Het heeft iets frustrerends. We kunnen er de vinger niet opleggen. Het heeft ook iets moois. God is altijd groter. Het is niet één ding. Het zijn duizenden dingen. 

Marinus Beute